pond kersen ’n half pond zijn, je kunt toch kersen eten. Maar wat je daar kiest, kan je Zuur opbreken, al is ’t geen Bier. Beet ben je, bedot en bekocht. Weet je dan, wien je kiest? Heb je ’m ooit gezien, gehoord of geroken? Je geeft hem jouw „stem”. ‘ Wat geeft hij jou? Zijn stem? Och, lieve krabbelende, knoeiende, klodderende kindertjes. Jullie maakt ’n „hokkie” voor hem klaar, om hem in de „kamer” te zetten. Weet je, welken kans je hebt? Dat hij zijn mond in vier jaar niet open maakt in de kamer dan enkel om te gapen. Dan is zijn mond ’n hokkie met rooie randjes. Vooruit, stemmen! Kerkelijk tegen werkelijk, sociaal tegen royaal, rapalje tegen ik-zal-je.
„Uitzoeke maar!!”
„Zóó je maar biedt!!”
„Als ik maar cente zie!!”
„Zoo krom ken je niet bieje!!”
„Kijk uit je oogen, dan raak je niet bedrogeü”
„Rommele maar, rommele maar, rommele maar!!”
„Je mot ze maar proeve!!”
,,'t Binne de laatste!!”
„Wèg d’r mee!!”
Achter ’n karretje treiterende vruchten.
Zwarte krieken. Rooie tomaten. Oranje-appelen. Gele bananen. Witte kokosnoot. Alle partijen van kleur bij elkaar. Zwart is lekker, rood is rijnsch, oranje is sappig, geel is vleezig, wit is melkzoet.
En twee achter ’t karretje op ’t Waterlooplein. Zij is zijn vrouw. Hij is haar man. Hij veegt z’n neus met ’n rood zakdoek. Zij heeft zwart haar. Dat zijn de hoofden van de partij, die op ’t karretje ligt.
De stem, zijn stem, haar stem!
Hij schreeuwt tot mannen. Zij tot vrouwen.
„Zeg, Sakkie, mot je niet stemme?” vraagt Rookie.
„Neem je mijn op hak, Rookie? medunk ik stem! Addesjim, ik kèn bijna niet meer.
„Ja, maar as je niet gaat, krijg je ’n bekeuring.”
„En als ik m’n karretje alleen laat, krijg ik ook ’n bekeuring. Koodesj gehupst, koodesj alle-wandeé!”
„Ik mot ook stemme, niet Sak? wil ik maar eve gaan en meteen voor jou stemme, Sakkie? Ook ’n zorg. Je ken je mit