154
maar de stemme des menschen doodde zijn God. Want de stem bracht zonde en straf. Ze verleidde den eersten mensch, om de kennis te keuren van goed en kwaad en het kwaad te kiezen. Ik vraag u: wat is het Waterlooplein zonder stem? Die vraagt of biedt, schreeuwt of zingt, buldert of babbelt, vloekt of vleit, dwingt of verleidt? Zonder stem ware ’t Plein ’n woestijn. Maar die stemmen maken het paradijs. Al die duizenden dwalenden zoeken naar ’n stem in ’t doofhof der negotie. Ze zoeken vrijwillig, maar ze worden gedwongen. Ieder standje is ’n partij, geregeld of ongeregeld, reëel of ramsch. Partijen in alle soorten en kwaliteiten, net en nep, kleuren in keur, schreeuwend en bescheiden, zoo gegroeid of geverfd. Partijen van dit en van dat, alle stof voor allen smaak, wat de één haat, is voor ’n ander ’n liefhebberij, van wat hij onziend voorbijloopt, is die ander niet weg te slaan. Daar komt de stem. Wou je dat voorbij-loopen, omdat de kleur je niet toelacht? Wou je dat niet durven eten, omdat de smaak je niet toelust? Wat weet je dan? Wat eet je dan? Wat lust je dan? Wat lijkt je dan? Kies dat wèl, want ’t is blijvend. Eet dat wel, want ’t is lekker. Als je dat met je oogen neemt en met je hand betaalt, kom je morgen terug om meer. Die stem dwingt je te wagen in ’t doolhof van willen. Je kiest, beet ben je, bedot en bekocht. Dat voel je, als je uit ’t gezicht van die stem bent. Maar dat moment van kiezen was zoo lekker, toen die stem je overtuigde, dat ’t jouw stem was, die koos. Wat is ’t Waterlooplein zonder stem? Eén stem bij ’n partijtje maakt andere. Daar koopt iemand. Jij staat er naast. Mot u óók neme, zegt die stem. Vast, je neemt. En u zegt tot een derde, die nog weifelt: Mot u óók nemen, over mijn en üw einde. Zoo komt ’r ’n partijtje stemmen bij ’t standje.
En dan groeit de stem van hem, van wien de partij is, tot ’n orkaan, ’n Stem als ’n donder over ’t behagen van zijn masse-matte. Zoo’n hoop stomme stemmen, die erin loopen, maken zijn stem tot ’n bazuinende heraut van zijn zelf-weelde. Hij davert de heele wereld naar zijn stalletje. Vanmorgen wist hij zelf nog niet, wat hij van z’n eigen negotie gelooven moest, vanmiddag is zijn markt hemel geworden. „Rachening” dacht-ie nog ’n uur geleden „Rewoogem” telt-ie jubelend, als-ie die handen ziet stemmen en die stemmen ziet handelen. Dat deed zijn stem, die stemming maakte hij eerst, maakten zij toen, blijven ze maken samen.