153
zooveel brooge gaf, is die niet toch nog hun gids bij het zwerven? Hebben ze ooit één dag na zijn dood ingeschoten? En heeft Raf niet nog twee kindertjes, die z’n vrouw hem schonk voor ze was heengegaan, om ’n plekje voor hem naast zich te zoeken op Diemen?
lederen dag brengen ze Raf z’n cheilek naar z’n oude moeder, die de twee kleintjes aan zich heeft genomen.
Cheilek le’oulom hazzee.
Aan God’s troon telt Raf’s ziel de „lijzing” na van deze wereld.
En legt twee maal ’n cheilek weg voor die twee, die daar beneden nog moeten zwoegen, Monne en Lijzer.
Cheilek le’oulom hahbo!
XXXV.
„UITZOEKE MAAR!”
„Zóó je maar biedt!”
,-,Als ik maar cente zie!!”
„Zoo krom ken je niet bieje!”
„Kijk uit je ooge, dan wor je niet bedrogeü”
„Rommele maar, rommele maar, rommele maar!”
„Je mot ze maar proeve!!”
„’t Binne de laatste!!”
„Weg d’r mee!!”
Ieder met z’n roep, om met jokken te lokken. Bij waar is geen waarheid noodig. Op de markt gelooft iedereen. Daar komt niemand om te zien, maar iedereen om te hooren. Wat je ziet, geloof je niet, maar wat je hoort, voert tot verrukking. De stemmen zijn het. Van mannen en vrouwen in kokende verwarring. In eentonige razernij, in woedenden eenvoud, in moordende oneindigheid. De stemmen zijn het, die drenzen, dreinen, dreunen, zagen, zaniken, zeuren, om hun zin te zien. De stem is het, die u tot overgave dwingt. Zóó wint ’t al ’n wicht van den sterksten reus. De stem is het, die u tot het uiterste of het innerste brengt. Leve de stem, want de stem brengt leven, ’n Pasgeboren mensch, die z’n stem niet hooren laat, wordt onbarmhartig geslagen, tot hij stemt, want dan eerst weet men hem niet doodgeboren. De stemme Gods schiep den mensch,