147
prachtigen, goed onderhouden inboedel, dien men verplicht is over te nemen. Direct te aanvaarden, zonder overdrachtskosten. De eventueele kooper wordt echter op een servituut opmerkzaam gemaakt. Hij moet zich verplichten huizen en bloc te koopen en nooit anders dan en bloc van de hand te doen. Hij mag ze wel verhuren, maar alleen aan Joden en ook alweer en bloc en wel zonder éénige huurpenning daarvoor te nemen. Als hij ze verhuurt, moet hij de noodige reparaties op zijn kosten laten verrichten. Op Zaterdag en Israëlietische feestdagen moeten ze streng gesloten blijven. Bij overlijden van den eigenaar mogen alleen mannelijke nakomelingen of verwanten hun aanspraken laten gelden. Alleen Israëlieten van Joodsch geloof komen als serieuze gegadigden in aanmerking. Uit de hand te koop, niet ten overstaan van een notaris of door tusschenkomst van een makelaar. Te bevragen: Waterlooplein, tegenover de Mozes-en-Aronskerk, bij den heer Levie Huisman.
Op het Waterlooplein tegenover de Mozes-en-Aronskerk wonen enkel musschen, muggen en vliegen, in de boomen van het plantsoentje. Maar geen Levie en geen huis en geen man. En toch zal ik hem hebben, want ik heb razenden trek in een heerenhuis. Op grof geluk loop ik op ’n mannetje toe, aan ’t hekje van ’t plantsoentje aan ’n karretje met ’n handeltje en word subiet gewaar, dat dit Levie Huisman is. Ik zoek in z’n karretje naar solied gebouwde heerenhuizen. Heeren-hoozen vind ik, wel acht paar, maar niet solied gebouwd, de mazen gapen gaterig. Heerenbuizen zie ik ook, hooggelegen op het karretje, maar niet op netten stand, er is menig steekje aan los. Heerenhoeden ook, direct te aanvaarden, maar niet goed onderhouden inboedel. Heeren-schoenen, ook maar lang niet vrij van grondbelasting. Is die kanarie-kooi misschien dat heerenhuis en die potkachel de inboedel en dat vies servies ’t servituut?
„Wat kijkt u? Wat zoekt u? Wil ik voor u kijke? Mag ik voor u zoeke? Ik heb wat voor u, zal u van opkijke.”
Lijp lacht van buiten, terwijl hij van binnen lonkt, ’t Zit op z’n borst, onder z’n jas, onder z’n buis, onder z’n boezeroen, boven z’n borstrok, op z’n arbekanfes. Zóó kon-ie ’t nooit verliezen.