138
óók nog nooit ’t rabbinaat opgebeld, want dan zou Hillel heel wat nooit gewonnen hebben.
„Wat kijk je nou als, Sjammie?” vraagt Hillie.
„Is daar zesteg pond rijs?” vraagt Sjammie tegen.
„Waarom weeg je ’t dan niet in toetjes van ’n ons?” vraagt Hillie hèr-tegen.
„Waarom kijk jij de appele niet in, onderwijl ik de rijs nakijk?” vraagt ongeduldig Sjammie over-hèr-tegen.”
„Heb ik dan niet de mangele geproef en de pruime geprobeerd?” vraagt geduldig Hillie hèr-over-hèr-tegen.
„Heb jij geisjek in de masse-matte, Hillie!” vraagt Sjammie.
„Heb jij cente?” vraagt Hillie.
„Heb jij dan al gevraag, wat-ie d’r voor hebbe mot?”hèr-vraagt Sjammie.
„Heb jij dan al uitgerekend, wat je d’r voor geve ken?” hèr-over-vraagt Hillie.
„Hoeveel tel jij ’t vleeschkos in?” vraagt Sjammie over-hèr-over.
„Tel jij dat nog in, nieresj?” vraagt Hillie tegen-over-hór-over.
„Hoeveel reken je dan ’t melkkos?” Sjammie.
„Gek, mot dat melk en dht vleesch dan wat koste, is ’t al niet erg erg genoeg, dat we ’t motte ankijke?”
„Weet je wat?”
„Nouh?”
„Wille we alles rekene voor ’n gulde ’t stuk?”
„Wat, die krente?”
„Neem jij an mijn in de maling, Hillie?”
„Nee, jij an mijn, Sjammie?”
„Of jullie lang en breed rekenen, ik mót d’r ’n kwart rood ruggetje voor hebben,” resolveert de kruidenier op sloffen.
„Dan ken je ’t net zoo lief allemaal zelf opete,” meent Sjammie wild-kwaad.
Men zegt, dat net zoo eens ’n Heiden onderhandelde met Sjammie en Hillel. En met Sjammie niet kon opschieten.
Hillie onderhandelt en weet van ’t kwart rood ruggetje nog drie gele velletjes af te krijgen. Want met oogcnmaat heeft hij al in den roes uitgerekend, dat hij uit den winkelopstand en de flesschen de „lijzing” kon halen. Dan waren de kruien en de grutten allemaal „zuivere rewoogem.”