ioó
’n stalletje, ’n Plank niet eens, nog eens geen krant. Bloote steentjes, zóó maar, ’n vierkante meter naakte kou. Niet één kijkt, laat staan staat stil. Is er dan niets te koop? Ja, heusch ja. Voetje voor voetje! Mannen vier, vrouwen zes en kinderen tien. Allemaal te koop. Voetje voor voetje, ’n Vrouwtje zit te wachten, om ze aan den man te brengen. Voetje voor voetje op ’n stoof, handje voor handje onder wollen doekje. Ze rept en roert zich niet, ze roept niet eens, hoest enkel nu en dan even. Niemand kijkt naar die mannen, vrouwen en kinderen om. En er zijn snoesjes van kindertjes bij en niet onaardige vrouwen, ’n paar dametjes zoowaar en niet ordinaire mannen, ’n paar heertjes nog wel. Natuurlijk niet frisch meer en ongerept, maar toch allen kuisch, fatsoenlijk. Voetje voor voetje zijn ze door het leven gegaan en eindelijk op ’t Waterlooplein terecht gekomen. Wie zoo’n paar mannen koopt, heeft nog geen strop; wie zoo’n paar vrouwen neemt, is nog niet ongelukkig; wie zoo’n paar kinderen in huis krijgt, hoeft nog geen spijt te hebben. Er loopen nog genoeg rond, die ernaar snakken. Iedereen kan toch geen nieuwe schoenen koopen. En nieuw, wat is nieuw? Er is niets nieuw onder de zon. Van ’n kind van ’n paar dagen vragen ze al: „hoe oud is ’t?” ’n Paar nieuwe schoenen, die je ’n seconde aanhadt, zijn al gedragen; nooit neemt ze iemand voor nieuw meer.
Voetje voor voetje, om en om, leer om leer. Mannen-laarzen, vrouwen-schoentjes. Heeren-bottines, dameslaarsjes. Mannenmolières, vrouwen-lak. Heeren-boks-kalf, dames-geits-groom. En daarachter de kindertjes, voetje voor voetje, rijglaarsjes, knoopschoentjes, stof-toffeltjes, sof-slofjes. Reëel zoo. Je tofste étalage. Niet achter ruiten op fluweelen fundamentje of glazen gazonnetje, maar op de kale klinkers en koude keien, want zóó stappen ze aan levenden voetje voor voetje voort, geschoeid om te schooien door stof en slik. Zoo ze daar staan, zijn ze al gedragen. Wie weet door wie. Misschien om te reppen naar ’n fuif, misschien om te drentelen achter ’n begrafenis; misschien om te wiegelen in ’n strandstoel, misschien om te wankelen voor ’n sterfbed; misschien om te warrelen op ’n bal, misschien om te waggelen bij ’n beroerte; misschien om te spiegelen in ’t theater, misschien om te spitten aan ’t graf; misschien om te schommelen in ’n luxe auto, misschien om te schoppen in ’n celwagen; misschien om te springen van vreugd, mis-