werd de stemming wat gedrukter. Vanhier het gebruik, om een glas te breken op de choepoh (Tosafot aldaar).
Sinds de verwoesting van Jerusalem was namelijk al te groote uitgelatenheid verboden, ook daar, waar de ״vreugde van den plicht", de simchoh sjel mitswoh, de hoogste verrukking begrijpelijk maakte. Hoe kunnen wij ten hoogste verrukt zijn, als de uitoefening der plichten voor een groot deel niet meer mogelijk is, omdat wij al die plichten, die met eigen land, stad en tempel te maken hebben, niet meer kunnen doen? En daarbij nog het besef, dat het noodlottige verlies van stad en tempel aan onze zonde te wijten is! En daarbij nog de overtuiging, dat de vertraging van ons herstel mede aan onze zonden te wijten is! Ja, wij voelen zoo echt en zoo waar de beschuldiging onzer rabbijnen dat ״hij in wiens dagen de herbouw van Jerusalem niet plaats vindt, het zich moet aanrekenen alsof Jerusalem in zijn dagen verwoest werd!"
Bovendien is al te groote uitgelatenheid, ook al zou Jerusalem nog bestaan, niet in den geest des Jodendoms. Zooals het leed niet mag neerdrukken, mag ook het lief niet uit den band doen springen! ״Dient den Eeuwige met ontzag en juicht met angst!" roept ons de Bijbel toe (Psalm 2—11). Waar jubel is, moet angst zijn, predikte daarom Rabba (Berachot 30b). Dat kan dus ook misschien wel de reden zijn waarom Rabina dat kostbare glas stuk wierp op de bruiloft van zijn zoon, toen hij de rabbijnen uit den band zag springen.
Zoo begrijpen we ook wat de Talmoed ons meedeelt van diezelfde bruiloft van den zoon van Rabina. Toen vroeg men namelijk aan Raw Hamnuna ״zing eens wat moois voor ons!" Daarop begon deze rabbijn te zingen: ״wee ons, wij moeten sterven! Wee ons, wij moeten sterven!"
״Wat moeten wij hierop terugzingen?" vroegen hem toen de rabbijnen.
״Hoezee de Touroh, hoezee de mitswoh, die ons beschermen tegen den dood!" zong daarop Hamnuna het antwoord. (Berachot 31a).
Het is wel teekenend voor de afstomping van dergelijke innig-vrome gebruiken, dat wij tegenwoordig volstaan met het breken met een waardeloos fleschje op iedere choepoh en dat daarbij dan nog
II