perkament te lezen is, dan roept men een klein kind. En zooals het kleine kind die letter leest, zoo is ze (Ourach Chajim 31-16).
Men ziet dus duidelijk uit die alles: het Jodendom is er op gebaseerd, om met de ontwikkeling zoo vroeg mogelijk te beginnen.
In de gelukkige tijden van ons ghetto (en dan spreek ik uit de ervaring van het Amsterdamsche ghetto) kende men het analfabetisme niet. En al konden zeer vele volwassenen in dien tijd noch lezen noch schrijven, kon men onmogelijk van analfabetisme spreken. Immers al deze menschen konden het Hebreeuwsch vloeiend lezen en schrijven. Slechts het Nederlandsche schrift was velen onbekend. Maar dat achtte men toen absoluut onnoodig, ja, zelfs in strijd met zijn Joodsche ontwikkeling. Men was bang, dat men met het aan-leeren van de ontwikkeling zijner omgeving, zijn eigen ontwikkeling zou inboeten. Geheel omsloten door de sfeer van het Jodendom, voelde men zich heilig en veilig in zijn hooge moraal. De Joodsche beschaving en ontwikkeling vervulden alle hoogere verlangens des levens. Dat was geen verzinkende menschheid, die daar binnen de afgebakende grenzen der samenleving 2ijn eigen leven leidde. Daar bloeide de geest van een onbedorven volk. Daar groeide gezond en sterk, geestig en vernuftig het eeuwige ras der uitverkorenen. Wat had men noodig met andere ontwikkeling? Eer en achting bij andersdenkenden? Die genoot men immers, onbewust. Van buitenaf werd die ghetto-geest bewonderd en gezegend. En zoo vaak een Jood uit het ghetto zich voor handel en wandel daarbuiten bewoog, had men eerbied voor den zoon van Israël, die aan de hand van zijn God liep. Men kwam hem met het volste vertrouwen tegemoet. Men riep hem overal binnen, men trad met hem in relatie, al was het alleen maar, om dat echte volk Gods van nabij te mogen leeren kennen. Men vertrouwde hem vaak zijn intiemste dingen toe, wetende, dat men bij een waren Jood in de veiligste handen was. Men warmde zich zoo graag aan zijn vroomheid en liet zich o, zoo graag onderrichten in de wetenschap der oude wijsheid. Daar was vaak een eenvoudige venter een meester, geheel als in den klassieken tijd des Jodendoms. Men vertrouwde zich bovendien toe aan het hooge vernuft dier een-voudigen, die altijd raad en daad bij de hand hadden. Wel een bewijs, hoe die Joodsche ontwikkeling feitelijk iedere andere ontwikkeling
II