97.
JOODSCH HELDENLIED Ingang:
Hartelied, loof nu de helden, Wel gelukkiger dan wij,
Die stierven als de Wachters van de velden,
Van het Vaderland, zóó ver en zóó nabij,
In het Land nooit uit het hart verloren,
Zóó zeer beschreid, zóó mild bemind,
Met zijn druiven, met zijn bloemen, met zijn koren,
Met zijn openr wolken en zijn zoelen zonnewind,
Waar het Volk weer vrijheid vindt.
Jitzchak Achduthi
Een Knaap van zestien jaren, met de zetters In de Stad werkzaam op een drukkerij. Zijn handen haasten. Van de losse letters Snelt hem de zin voorbij.
Dan: éénen dag zet hij de telegrammen: ״De Wachter van Sedschera werd gedood, Door 't rijpe koren jagen zij de vlammen, Merchavja dreigt de nood."
Eén woede slaat de losse letters samen, Tot de vermaning van een machtig woord: ״Gij werkt gerust, terwijl daar 't roofrot moordt." Z!ijn wangen branden van hartstochtlijk schamen.
Hij heeft het rustig lot verloren, Hij .kiest getroost het trotsche lot: Wachter van het water, van het vee, van 't kostbaar
koren,
Dient hij zijn Volk, dient hij zijn God.
7
Het Joodsche Lied