98.
Knaap van zestien jaren, Strijdt hij met gevaren; Waar de roovers waren Door den schouwen nacht Hoedt hij met de broederhelden, Waterwellen, vee en velden, Tegen wreede macht,
't Eerste zaad zwelt in de voren, De eerste garf wordt ingeoogst, Laadt hij niet met dan schat van zijn koren, Den eersten wagen het hoogst?
•
Hij heeft zijn rustig lot verloren
En koos een rijker nood:
Zijn wagen wankelt, onder 't geurig koren
Vindt hij den zoetsten Dood.
Waar de Zee ruischt langs de Heilige Kust, Sluimert hij op den Hermon alleen. De stille wandelaar leest op den Steen, Dat hier Aohduthi rust.
Jitzchak Turner
Hij liet zijn School voor 't werk op 't Land, Hij werd een Wachter en een Herder, Doodkoorts verteerde hem in zeeren brand: Klaag niet: God hoedt zijn kudden verder,
Jecheskiel Nissanow
Voerder van de Wachters, die bewaren Waterwellen, vee en graan, Zag hij zoovele gevaren Hart en oogen open aan.