95.
En onze Stad: wie kent nog de Paleizen Der Vorsten, die toen des Volks Dichters waren? De Klaagmuur staat: wat vreemde wreedaards wijzen Vervult in elk land ons Volk van gevaren.
Ons land: niets bleef van de oude weelden over, En roof bedreigt onze herwonnen macht, Wij zaaiden, maar de tuchtelooze roover Grijpt handen rijk aan onze vruchtenvracht.
Onze kind'ren, die onze Vrouwen dragen Op wreede tochten onder 't jagend hart, Voor vreemden zullen zij winnen en wagen, Niets is ons Volk eigen dan eigen smart.
En onze Mannen: over alle kampen Der vele volken strijden zij verdeeld, Ons is het wreedste deel van alle rampen, Vreugde noch Trots, die onze wonden heelt,
Klaag dan niet om het noodlot van de Serven, Want wreeder lot dan hun lot dragen wij, Die niet voor hun land en volk mogen sterven, Niet leven dan in vreemde heerschappij.
Klaag niet om 't bedrijf van roover en rosser, Wacht niet van vreemde volken raad en baat, Want ieder volk heeft slechts éénen Verlosser, Zijn eigen wil, zijn eigen kloeke Daad.
Onze wil, onze daad: één vast verzamen Eén Volk, één Leer, een heil'ge Taal, één Land, Niet wat and're volken voor ons beramen Brengt ons heil, maar slechts eigen kloek verstand.