94.
En toch, klaag niet, want wat dit volk van helden Voor drijvers wijkend, tot den bloede leed, Zal het Eeuwig Recht hun geruim vergelden Meer dan het Tijd'lijk Onrecht hun misdeed.
Klaag niet: wie stierf is voor zijn volk gevallen, Wie leeft strijdt nog den eindelijken strijd, Winnaar of wijker, heilig zijn zij allen, Die 't leven aan hun volk hebben gewijd.
En hun verwoeste Stad is waarlijk rijker Dan der heerschers steden aan schat en winst, Want sterker dan de zeger is de wijker, Die 't al verliezend acht zijn verlies minst.
Die wijkend weet, dat de eindelijke zege Voor de vrijscharen van zijn volk zal zijn, Al breekt zijn voet langs baanlooze bergwegen, Al wankelt hij langs ruigten en ravijn.
Hun Koning: vluchtend in een wrakken wagen Schuilend in schuur bij sluiken dronk en beet, Klaag niet: nooit heeft het Lot één volk verslagen, Dat zóó geslagen nog zóó strijdbaar streed.
Neen: klaag niet om het noodlot van de Serven, Genooten van ons rampdragend Volk, zij, Die voor de vrijheid van Land en Stad sterven, Buigen niet onder vreemde heerschappij.
En wij? Twintig eeuwen was ons lot dulden, Twintig eeuwen was ons lot smart en smaad, En wat het Lot voor ieder volk vervulde, Nooit was ons deel vervuld aan hoon en haat.