93.
ISRAËL — SERVIË
O, klaag niet om het noodlot van de Serven, Wien woede en wraak thans het uiterst bloed vergen; Geweken naar hun ongebaande bergen, Zien zij de weelden van 't Vaderland sterven.
Hun Koningsstad: over 't geslagen water Drijven verdervers hun gesloten drommen, Als steenstroom uit de krochten van een krater Daav'ren de brandende en barstende bommen.
Het weidsch Paleis? Vol van de wreede weelden Der heerschers; van hun wijnfeest, van hun lachen. Hun stalen haat, die met al volken speelde, Hoont des Vorsten huis met hun oorlogsvlaggen.
En in de stad: brand en breuk, de wijnwinkels Naar de begeerten van de zwelgers open, De schuimers vrij, de schelmen en de kinkels Rotten rond, oogen fel en bloedbeloopen.
En 't bloeiend land? Al wat bezonnen jaren Aan weelden wonnen in bouwhuis en schuur, Wordt door de woede dier ontbonden scharen Tot puin gekeerd in één enkel wreed uur.
De macht van 't volk, dat schat van oogst verbouwde? Zijn Mannen weken op hun heldentocht, Alleen de Knapen en geslagen Ouden Buigen het hoofd, door wanhoop overmocht.
Vrouwen en Meisjes, wat zij sidd'rend leden, Toen woede vierde, waarbij schaamte zweeg, Geen klaagt heur lot, alleen in zijn gebeden Stort het wanhopig hart zijn angsten leeg.