OP ZEE NAAR HOLLAND
Ik dank U, God, die eiken nieuwen morgen, Weer Uw schepping verricht, Dat ik, keerend van zooveel schoone zorgen, Mijn Land blij vind en licht.
Ik weet het nu: al wat mij heeft gedreven, Het was tot beter keer. Wat ik beleed in mijn hartstochtlijk leven, Weer belijd ik Uw Leer.
Maar zal ik, U belijdend, ooit vergeten Elk Vriend van eiken Tocht? En iedre Tafel, waar ik mee-gezeten Vreugde mee-deelen mocht?
En U belijdend, zal ik ooit vergeten Nachten van weeldrig feest, Als ik, waar blijde makkers hun lot sleten, De blijdste ben geweest?
Laat mij, als een machtig vermaan, gedenken Onheilgen en heilgen lust. Gelijk Vader hun Zonen zegen schenken Mijn God: geef mij Uw rust.
Ik weet het nu: mij was het dwalen noodig Voor den bezonnen keer. Maar thans is 't voor mijn hart al overbodig Buiten ban van Uw Leer,
Wij, die dwalen, weten niet wes wij dwalen, Gij, die ons dwalen ziet, Meet, wijzer dan wij zijn, ons perk en palen De ban van ons gebied.