86.
Keeren uw Zonen. Waar zijn mijne Zonen, Daar mijn leven als waardloos water vliedt? Waarmee zal God nog straffen of beloonén, Sinds hij mij zonder zonen eenzaam liet?
Reik mij geen troost: laat mij met mijn smart eenzaam. Vergeef: gij weet niet, wat ik heb ontwijd. Maak uw Zonen niet met mijn lot gemeenzaam, Dat zij de Leer laten voor de ijdelheid.
En zoekt mijn hart voor dit lied aan u weder, Woorden gewijd als der Profeten woord, Hoe was hun stem hartstochtlijk-vroom en teeder, Terwijl mijn lied in doffe snikken smoort.
Geen vroom Profeet, maar een geslagen lijder Ben ik, de Dichter van het Joodsche Lied, Voor Zion zende God Zijnen Bevrijder, Uw zonen keeren, maar mijn zonen niet.