85.
Den ganschen dag. Een Vader meet zijn uren Naar 't voegen en 't scheiden van zijn gezin, Ik blijf alleen: hoelang de dagen duren Weet mijn hart, weenend bij weelde en gewin.
Des avonds: ik zeg mijn avond-gebeden Alleen. En als ik mijn dagtaak besluit Weet ik weer éénen dag machtloos volstreden, En snikt het hart zich in zijn liedren uit.
Mijn Lied: hoe mild zou het mijn Zonen vleien, Hun lust, hun liefden, al hun jok en jeugd. Terwijl mijn liedren thans mijn lot beschreien En wroegend weenen om verloren vreugd.
Mijn Lied: het laat mijn hart doffer en eenzaam Na korte vreugd van het genoten woord. Troost niet: ,,zij zijn als Zonen u gemeenzaam Die door uw hartelied worden bekoord."
En toch:- ook ik was een zoon van vrome ouders, Mijn jeugd is zóó vroom als uw jeugd geweest, Nog weet mijn hart niets schooners en vertrouwders Dan herinnering aan Sabbath en Feest.
Herinnering: met mijn driftige daden Heb ik de Leer van mijn Moeder ontwijd. Dank voor uw troost: hoe komt mij troost te stade, Vergeef: uw troost valt te zwak voor mijn spijt.
Het woord van den Profeet zal mij niet troosten Die zonder Zonen sterft gelijk de Ontmanden. Wanneer ons Volk weer naar zijn land in 't Oosten Keert uit de banschap der verspreide landen,