En zegt geen Zoon tot mij; ,,Vader, Uw Zegen" Wanneer ik thuis van den gebede keer, 't Is goed: hoe zoude ik zeegnen, die mijn wegen In blijdschap ontvoerde aan mijn Moeders leer?
Want als zijn oogen blonken in mijn oogen, Hoe zou mijn hart beven van 't leed bezwaard, Als hij vroeg: ,,Vader, wat heeft u bewogen Toen gij de Zoon van uwen Vader waart?"
Tot schande keerde ik Vaders zoeten zegen, Laat mij geen schande van mijn Zonen zijn. Beter treed ik alleen des levens wegen, Ongedeeld mijn vreugd, ongedeeld mijn pijn.
Laat mij dan zonder mijne Zonen eenzaam, Haat niet, smaad niet, spaar mijn hart troost en s Ben ik verloren: 't Lied is mij gemeenzaam, En geen Dichter is verlaten van God.