82.
Tot vrome vrienden zich mijner erbarmen En nooden mij tot hun heiligen disch, O, wreede vreugd: het broodgebrek der armen Is niet zoo wreed als mijn kreunend gemis.
Zij missen 't aardsche brood, maar Gods genooten Zijn zij waar 't Hemelsch Brood gebroken wordt. Mij blijft het hemelsche gezin gesloten, Of ook mijn hart zich leeg van tranen stort.
Deelt mij de vrome Vader Zout en Brood, Spreek ik als goede kinderen mijn bede, Ik proef het wrang: door mijn vreugd en mijn nood Keerde nooit één man tot gewijden vrede.
Hoe bloeit rondom de ouders dit vroom gezin, Hoe lacht die Knaap in de oogen van zijn Broeder, Mijn hart: waar is van mijn Zonen de Moeder, Wie deelt aan mijn tafel een gulle min?
Ik, een verlatene, die zóó gul deelde Aan alle tafels mijn verboden vreugd, Die bij spel en spot mijn leven verspeelde; Ik herbloei niet in mijner zonen jeugd.
Als pijlen van den Held zijn stoute Knapen. Heil, die zijn koker van dien schat voorziet. Mijn kracht vergaat, en weerloos zonder wapen Weerstaat mijn hart het driftig leven niet.
't Is goed: laat mij met mijne smarten eenzaam, Haat niet, smaad niet, reik mij geen bittren troost, Wat ik verloor: het Lied blijft mij gemeenzaam Waarin mijn hart schreiend van 't schreien poost.