81.
Van dag tot dag leef ik in 't werk gevangen. Voor wie mijn werk? Niet voor 't eigen gezin, Niet voor mijn eigen Zonen zijn mijn zangen, Naar kind'ren van vreemden verbloeit mijn min.
Heil hem, die langs Gods goede wegen ging, En deelt zijn leven met een vrome vrouw, Zijn zonen bloeien rond hem in een kring, Als jonge palmen, rank van kloeken bouw.
Vraag niet met wien ik mijn Brood en Wijn deelde, Bitter is mij 't heugen van ieder zoet. Zoo goed als één, weet ik, wat ik verspeelde, Troost niet, smaad niet, laat mij alleen, 't is goed.
Weer treed ik machteloos den Sabbath tegen, Ik heb geen tranen, een gebroken man. Mijn Moeder stierf. Wat bleef van Vaders zegen? Ik duldde wat geen derver dulden kan.
En niet één Zoon zegt: ,,Zegen mij, mijn Vader" Wanneer ik thuis van den gebede keer, Bezin U goed: een smader, een verrader Keert nimmer tot der vromen vrede weer.
Ik schenk den wijn, maar heilloos is mijn beker, Ik lees den Sabbathlof als Vader deed, Maar mijn handen beven wreed en onzeker, Eiken dag heugt, wat elke dag misdeed.
Hoe vaak heb ik de bonte kaars geheven Als mijn Vader de Sabbathbeden sprak. Wat is van bede en zegening gebleven? Wroeging op mijne dorre lippen brak.
6
Het Joodsche Lied