80.
DE VERLATENE
Want niet één Zoon zegt: ,,Zegen mij, mijn Vader" Wanneer ik thuis van den gebede keer, Omdat ik een verrader werd, een smader, Wiens droom en daad spotten met recht en leer.
En in mijn huis heft niet heur heiige handen De Moeder van mijn Zonen naar het Licht Wanneer de Sabbathlampen zalig branden, Een week van werk in vroomheid werd verricht.
Ik ben verlaten, mijn lot is verloren, Dit leven keert geen boete en geen gebeden, Omdat ik vreemde vriendschap heb verkoren Boven deel met mijn Volk aan kamp en vrede.
Ik ben verlaten: nu gedenkt mijn hart Al wreeder, wreeder, steeds het oud gezin, Wij deelden samen vreugd en samen smart, Wij bloeiden sterk in ééne vrome min.
Het werk viel licht en met zijn diep verblijden Wijdde elke week de heiige Sabbathdag. Als zegen hief Moeder heur handen beide Naar 't licht en in haar oogen bloeide een lach.
Met Vader en met broeder ging ik tegen Den Heiligen Dag, begroet met ons lied. Naar Moeder hief ik mijn hoofd op ten zegen Want ik was toen zoo groot als Moeder niet.
En thans: een hater, een hartstochtlijk hooner Vierde ik ver van mijn Volk een volle vreugd, Is dit mijn straf niet, dat ik immer schooner En imimer schooner zie mijn vrome jeugd?