79.
DE GEBEDSRIEMEN
Eiken morgen legde ik den Heilgen Riem
Om hoofd en hand, veilig in ons gebed,
Herdacht mijn hart, dat God ons heeft gered
Door verdreven zeeën uit slavernij,
En voerde ons Volk, trots volken, trotseh en vrij,
Naar 't land bloeiend om Jeroechalajiem;
Maar dat ik niet den milden heilgen druk
Van Gods wil en wet belijdend verkoor
Boven vrijheid en 't bandeloos geluk
Van dwalen de bloeiende dagen door;
Maar dat ik jong, mijn heiige Tefilien
Voor het laatst afwond, toen voor altijd borg;
Mijn hart en mijn lied vermoordt nu de zorg
Om vreugd, die wroegt, om rust, die ik verloor.
Nu wringt de wroeging zijn knellenden riem
Nacht en dag om mijn hoofd en om mijn hand,
Bij droom en daad voel ik de straffe striem
Rood opgeloopen, die koortspijnend brandt.
En ik herdenk: hoe licht wordt losgewonden,
Waar vreugde roept, de band van Gods verbond,
Maar 't hart, verzadigd van de zoetste zonden,
Weet, dat het toch nooit vrede in vreugde vond.
Gij, die de schoonheid van mijn Liedren looft,
Die jong en begeerend zijt, als ik was,
Dien dag, toen ik voor het laatst van mijn hoofd
En hand de Riemen wond, op vreugden ras,
Onthoudt het dan in dit beschreiend lied:
Gods vreugde is vreugd, die 't hart nimmer berouwt,
Geen smart is sterker dan hij, die vertrouwt
Dat vreugde en smart tot eindlijk heil geschiedt.
Draag dan Uw droefenis met een trouw hart,
Bedenk, dat vreugd verlokt, waar wroeging schuilt,
Behoed uw wenschen, dat uw hart niet ruilt
Vroomheid voor vreugde, die als open wonden smart.