Het Joodsche lied, 2de boek

Titel
Het Joodsche lied, 2de boek

Jaar
1921

Druk
1921

Overig
1ed 1921

Pagina's
162



78.

HET EINDE

Ik ben een Mensch: niets is mij vreemd gebleven Van al wat menschlijk is aan kans en keer. Met meer drift heb ik mijn daden voldreven Dan één drijver, en meer leed mijn hart zeer.

Want ongetucht togen mijn straffe daden Door de dagen tot onbesomden buit. En langs zoovele schoone en schuwe paden Zwierven mijn droomen in den na-nacht uit.

En thans. Het eind van daden en van droomen? In 't oude Hof heb ik mijn graf gekocht Waar het graf bloeit van mijne vrome Moeder.

Zij liggen daar: de trouwen en de vromen, Waar ik rusten wil van tuchtloozen tocht: Ach, één is (het deel van Droomer en Woeder.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt met OCR (Optical Character Recognition).
Deze techniek levert geen 100% correct resultaat op. Dat betekent dat er onjuiste tekens in de tekst kunnen voorkomen.


Weergave
Afbeelding / Tekst (OCR)

Alle boeken in deze digitale bibliotheek kunt u gratis lezen of downloaden. Met een vrijwillige donatie helpt u ons met het in stand houden en verder uitbreiden van de bibliotheek. Klik hier als u een bijdrage wilt overmaken.