159.
Weet gij, hoe schoon de stad van mijne jeugd Bouwt langs zijne rivier en langs zijn haven. Weet ,gij, dat zooveel Joodsche dagen vreugd En vroomheid geven als Gods eigen gave?
En ik herdenk, voor de eerste maal het komen Een Knaap, met mijnen Vader, te Amsterdam. Later weer thuis, vermoeid, maar verblijd, droomen Van alles wat die dagen langs mij kwam.
Londen, Moscou, Napels, de weidsche steden,
Onder hun dagen, onder hunne nachten.
Ik heb genoten, en ik heb geleden.
Maar goed: ik had mijn stoute en schuwe krachten.
Van ochtend-optocht tot het avond-dalen, De pracht van Sint-Petersburg en Parijs. Ik genoot vriendschap in zoovele talen En bezong vriendschap in één klare wijs.
Het dwalen met Sidney Topham door Kent, Donkere regenbuien in Bretagne, Een ochtendontbijt, waar de Neva wendt, Een bontgekleurde landweg noord in Spanie.
Waarlijk: ik heb mijn dagen wel genoten. Al mijn liederen trillen van genot. Maar ik wil meer. Zeg niet: het is besloten, Dat gij hier sterven zult, door uwen God.
O God, is God sterker dan mijn fel leven? Is de Dood machtiger dan mijne zinnen? Ik genoot goed, Maar nog wil ik beminnen En gemeten al wat de dagen geven.