158.
Ik hoor geen woorden. Maar ik voel het vleien. Soms fladdert muziek van een verre straat. Wat kan ik anders doen dan machtloos schreien, Wijl mijn leven in droef woeden vergaat.
Ik lijd zóó fel, in mijn ziekte gevangen. In dit Huis: Poorten der Gerechtigheid. Ik wil niet sterven. Al mijn stout verlangen Spant zich tegen, terwijl mijn kracht verslijt.
Menig zomer heb ik slordig versleten En weinig op zijne waarde geacht. Maar nu, stervend, en op den Dood gebeten, Geniet ik ieder uur van dag en nacht.
O, God, als ik nog één, één zomer had, Hoe zoude ik langzaam genietend beleven Elk uur en uur, al wat de dagen geven Aan vrede des lands en vreugd van.de stad.
Geen brood, geen vrucht meer onbezonnen eten. Den Dood gedenken bij iedere daad. ... O, dwaas lied, keer, uw maten zijn gemeten, Gij vergaat, gelijk mijn hartslag vergaat.
En nu: dicht bij den Dood, is 't leven voller Van schoonheid dan één leven is geweest. Elke dag vergaat, machtloozer en holler, Maar van herinneren vier ik nog feest.
Al eenzaam op het bleeke bed gelegen, Mijn'■oogen voor uw bonten zonschijn dicht, Overschouw ik van mijn leven de wegen Beschenen door een zalig droomend licht.