157.
Risohon le Zion: ik had willen komen Den eersten dag van uwen druivenpluk. Het is te laat: verstoft zijn al mijn drotomen, Ik zie het einde van ruimte en geluk.
De Dood heeft mij in 't machtloos nauw gedreven. Ik haat mijn hartslag, want elke telt af. Ik wil langzaam en fel-verinnigd leven, Wat het leven mij nog te leven gaf.
Geen lente meer, 't laatste zomergetijde: De jeugd baadt schuimend in de Jaffazee. Verleden jaar, met wind en water blijde, Liep ik door 't schuim met al de jongens mee,
Dit Huis: de Poorten der Gerechtigheid, De wreede ziekte houdt mij machtloos binnen. Dicht bij den Dood, Maar nog: mijn felle zinnen Zoeken at wat de zieke ziel verblijdt.
Des ochtends breken achter vale ruiten De kleine kleuren van de zonnelucht. Dit is de vroege tijd, dat vogels fluiten En de Jaffastraat vol loopt van gerucht.
Een man verdrijft zijne kalme kameelen. De eerste gaat met zijn klaar-koperen bel. Dan komen de Arabische knapen spelen De weelde van hun ongebonden spel.
Heel den onvermoeiden dag drijft de handel Tusschen de dorpen en Jeruzalem. Tot 's avonds koel, dan gaat de kalme wandel Van stadlingen, rustig en stil van stem.