156.
Dit Huis: ״de Poorten de Gerechtigheid" Ik ken al zijn geluid, al zijne gangen. Ik weet, wie machtloos als ik, van verlangen In andre kamers zijnen tijd verslijt.
Hier ligt een knaap in heete koorts gevangen, Hij schreit tegen ieder zorgzaam geweld. Zijn woorden ijlen duizlend van verlangen Terwijl de dorst zijn korsten lippen kwelt.
In den nacht hoor ik den ouden man steunen, Die leefde veel en nog niet sterven kan. Door de ijdle. uren verkrimpt zijn krachtloos kreunen. Voorden Dood is ieder één: Knaap of Man.
Dan vervaagt alles tot fladdrenden nevel. Ik denk over mijn daden en mijn droomen. En het bijt door mijn hart met wreeden wrevel: ,,Ben ik dan om te sterven hier gekomen?"
En nu: diclit bij den Dood, hoe lijkt mij heerlijk Het volle leven met zijn felle daad. Zomer en zon: (het is zóó diep-begeerlijk, Maar nooit bedacht, vóór het leven vergaat.
En ik gedenk, wat ik ruim heb genoten,
Dubbel wil ik hernemen, wat verzuimd,
Maar dan, terwijl koorts door mijn hartbloed schuimt,
Weet ik het wreed: mijn lot is afgesloten,
Dicht bij den Dood: ik merk het machtloos schuiven Der ijdle uren aan de zon langs den wand, In Rischon rijpen de ranken vol druiven, De oogst is rijker dan één jaar in dit land.