151.
De storm gestild. Wij zien de wegen open Naar 't Heilig Land, als door de Roode Zee, Het wordt vervuld, ons verlangen en hopen Na twintig eeuwen van gedreven wee,
Jerusalem: eens van allen verlaten, Maar nu van allen weer het eindlijk thuis, Weer worden uwe poorten en uw straten Vervuld van één blij bedrijvend gedruisch.
O, Land: weer breken uw verdorde bronnen, Over de velden al hun waterschat. Weder worden door 't eigen volk gewonnen Oogsten zóó vloedend als het vroeger had.
Weder dragen de gaarden hunne druiven. Rijpen de oranjes al hun zoete vracht. En waar nu nog de zouten zanden stuiven, Bouwen de bosschen dan hun zware pracht.
Wij, de gedrevenen van zooveel talen, Vinden weer de eigen taal in 't eigen land. Waarlijk: het is wel heerlijk ademhalen Waar onze zee blauw breekt over ons strand,
Vergeef mij dan, Amsterdam: 'k heb verlaten Uwe straten voor mijn Heilige Stad, Gelijk ik eens mijn zinnelijke maten Verliet voor Gods vroomheid en trouwen schat.
Verlaten, maar geen enklen dag vergeten, Want al was ik geen kind van uw geboorte, Waar mijne voeten mijne wegen sleten, Verlangde ik naar uw grachten en uw poorten.