150.
Nooit vergeet ik de pracht binnen uw poorten, Uw grachten, uw havens vol werk en winst. Al ben ik niet een kind van uw geboorte, Toch ben ik niet van uw Dichters het minst.
IV
Wij zien de drift van 't onrustende leven, Maar wat de driften drijft weten wij niet. Wij gaan, duldend van lot naar lot gedreven. En iedre dag bouwt ons een nieuw verschiet.
Woede is over de volken losgebroken׳, Een storm, gelijk de breede zeeën slaan, Als masten van uw schepen, gelijk kroken Van riet, met tuig en takel nedergaan.
De volken drijven als geslagen golven Onder de vlagen van den wervelwind. Eén land wordt onder hun stroomen bedolven, Zij breken van woede en wanhoop ontzind.
Tot de storm stilt. En de opgestooten stroomen Der volken zoeken hunne bedding weer. Maar 't land verzet. Miljoenen omgekomen, Miljoenen lijden een onduldzaam zeer.
Wij zien de drift van 't onrustende leven. Maar wat zijn driften drijft, weten wij niet. De volken gaan van lot naar lot gedreven. Hun wisseling grijpt één eeuwig verschiet.