149.
Vraag niet waarom. Vraag niet waarheen. Uw wegen Spreidt Hij naar Zijn wil over ieder land. Machtloos valt uw onwil tegen Gods Zegen, Of ook verlangen door uw leden brandt.
Ik heb gestreden met al mijn verlangen, Wanneer ik biddend naar het Oosten stond. Eén gloed in mijn oogen en op mijn wangen. Een wreeden brand om mijn gewrongen mond.
De wijn roept. Muziek roept. En al mijn maten Roepen met vreugd, die de harten verblijdt. 0, God, waarom hebt Gij mij niet gelaten In mijn leven van schoone zinlijkheid?
En als niet, waarom kan ik niet vergeten Voor Uw vroomheid al mijn genoten vreugd, Gelijk mij vroeger, tot de vreugd gezeten, Leer noch lot van mijn Moeder heeft geheugd.
Want ik ben om te dienen niet geboren. Noch om te heerschen. Ik wil lust en blijheid. Door God geroepen en in God verloren Gedenk ik dag aan dag genoten vrijheid.
Amsterdam: gaande langs uw schoone grachten Van mijn huis ten gebede naar de kerk, Verlangde ik naar de dagen en de nachten, Die gij gegeven hebt vol vreugd en werk.
Maar alles, wat God van mij heeft genomen, En alles, wat Zijn wreede gunst mij gaf, Tot welke donkre diepten ik zal komen, Tot welke vreugden en tot welke straf,