148.
Denk niet, dat ik met jonge vreugde keerde, Maar ik ging, omdat God gebiedend dwong. ״ En als ik bad, hoe vaak mijn hart verteerde Naar 't vrije lied, dat ik mijn vrienden zong.
Waarlijk, ik was onder Zijn Hand opstandig. Ik weet het nu: Zijn Handen zijn getrouw. Maar ook: het leven zinlijk en losbandig Roept, en hoe vaak, dat ik graag keeren zou.
Ik ben niet verlangend naar God gekomen. Zijn stem was sterk. Zijn handen dwongen mij. Maar als ik kon, mijn daden en mijn droomen, Alles, alles, maakte ik weer van Hem vrij.
Want, Amsterdam, toen ik mijn sterke leden Overgaf aan uw werk en aan uw vreugd, Toen dacht ik niet aan de vrome gebe|den En niet aan de strenge leer van mijn jeugd.
Daarom heb ik mijn vreugden toen genoten. En ook mijn werk heb ik toen goed gedaan. Ik zag mijn lot in mijn leven besloten, Ik heb niets gemeden en niets weerstaan.
Die mij vreugde en werk gaf, deed mij vergeten De vroomheid van mijn Moeders leer en lot. Met makkers werkend of tot lust gezeten Was ik ver en was ik wel vrij van God.
Waarom liet God mij dan niet in dit leven? Hij riep. Ik heb mij wanhopig verzet. Maar wie door Gods wil tot God woridt gedreven. Hij wordt alleen door God van God gered.