147.
Ik heb herinneringen in mijn oogen. Ik heb herinneringen in mijn handen. Straten en grachten, waar de bruggebogen Donker over het zonnig water spanden.
Ik weet van woeling en van eenzaamheid. Ik weet van wanhoop en gespannen vreugd. Mij was met menigeen gemeenzaamheid, Waarvan mijn lied beeft, als het mijn hart heugt.
Wat zult gij dan van dit alles gedenken, Mijn Lied, één lot meer dan één ander lot? Wat jaren nemen en wat jaren schenken 't Is alles één, naar één eeuwig gebod.
Mij berouwt niets van alles wat genoten.
Mij verlangt niets van alles onvervuld,
In ieder leven is elk lot besloten,
Vraag niet naar verdienste en vraag niet naar schuld.
Gij, die dit leest, waar ook was uw geboorte, Over welke wegen uw dagen gaan, Geniet langs uw paden en in uw poorten Uw vseugd en neem uw zorgen duldend aan,
III
Waarom heeft God mij 't leven niet gelaten, De dagen mijn werk, de nachten hun vreugd Van 't rustig slapen of met mijn gematen Weelden van wijn en wijnschuimend e jeugd?
Waarom riep God mij uit de veiligheid Van 't zinlijk leven, dat mijn hart geviel, Tot den dienst van Zijn strenge Heiligheid, En 't wroegend waken over mijne ziel.