146.
Eén oogenblik stond ik voor uw Station. Het Rak tot den Dam, dat zich volkvol baande. Maar ik zocht, onder wind en zonder zon, Het open water, uwe kaden slaande.
Overal langs den stroom de breede stoomers. Er tusschen door de schuiten scherp en fel. Alles om winst. Maar voor verrukte droomers, Die dichters zijn, lijkt het een baatloos spel.
En met één blik doorschouwde ik heel die eenheid. Schoonheid van wind en water wijd en zijd. Maar mijn blik brak. En ik zag de gemeenheid Van elke daad, op felle winst bereid.
En aan de stad heb ik mij toen gegeven. En de stad heeft mij fel tot zich genomen. Met al de macht van mijn hartstochtlijk leven, Met al mijne sterke daden en droomen.
In de drift van de stad vond ik mijn werk. En in het werk vond ik mijn diepe vreugd. Mijn daden spanden en mijn droom was sterk. Ik vond het lied, dat de harten verheugt.
En nu: alles herdenkend van de Stad, Terwijl mijn ziel over de jaren ziet, Wat zal ik zetten in dit kronend lied Als steenen in gemeten goud gevat?
Zal ik de zomermorgens meest gedenken, Gaande, buiten de Stad, langs de rivier? Of de vervulde nachten, wanneer schenken Makkers aan makkers wijn met vol vertier.