145.
En héél de dag was een almachtig wonder: Handel en wandel langs een breede baan. Een lange dag. De late zon ging onder Vóór dat wij weder naar huis zijn gegaan.
En sinds dien dag, o, Stad, waart gij mij nader Met al uw onrust, uw rijkdom en pracht. En ik zei niet aan moeder en aan vader Wat ik aan droom en daden overdacht.
II
Een man. Niet meer het kind van zijnen vader, Was ik, die tot u kwam om werk en woon. Maar stout en sterk kwam ik uw stede nader En wist u niet min dan in mijn jeugd schoon.
Een donkre dag. De zware spoortrein stoomde Driftig van slag over het viaduct. En ik herdacht, hoe vaak ik vroeger droomde Van uwen rijkdom, door uw schoon verrukt.
Want al was ik geen knaap van uw geboorte, Toch hebt ge mijne jeugddroomen beheerscht, In den ban van uw gebroken gepoorte Genoot ik, wat mij nu nog drijft, het eerst.
En ik lachte over mijn verrukte droomen, Gelijk een man mild om een jongen lacht. En ik wist: ,,de vervulling is gekomen Schooner dan droomen in een sterke pracht,"
Droom of daad: elke droom brengt zijn vervulling. En iedre vervulling draagt rijker droom. Het is alles één; raadsel en onthulling, Leven en dood. Een ongetemde stroom.
10
Het Joodsche Lied