144.
De schepen liepen, als tot u geroepen, Van alle werelden met volle vracht. En u gehoorzaam, trokken wijde troepen Weer ledig uit. Uw handel was uw macht.
Het water woelend. De zon over 't water. De breede streken van den Westenwind. De stad in schemer-schaduw, wanneer later De werkdag eindigt en de nacht begint.
Dan keerde ik onbekommerd met mijn makkers Waar 't schemerde den dijk af huiswaarts heen. Zaandam lag tusschen zijn weiden en akkers. Wat dachten zij? Ik dacht aan u alleen.
O, stad, al was ik niet van uw geboorte, Uw macht heeft mijn schoonste jaren beheerscht. Langs gracht en straten, binnen uwe poorten Genoot ik, wat geen Knaap vergeet, het eerst.
Toen mijn vader, des morgens in den zomer, Mij plotsling verrast op reis medenam. Klaar als een waker, verrukt a.ls een droomer Verliet ik met de boot den lagen Dam,
En 't water, dat ik vaak van ver gelegen, Laag in de zon en vol van scheepvaart zag, Streek onze boot vaneen in breede vegen, Sloeg zijne vin vaneen met snellen slag,
In zon en wind stond ik vóór op den steven. De stad kwam dichterbij, die kleurend gloeide, Hoe fel genoot ik van het volle leven, •» Dat aan de havenkaden open bloeide.