DE ROEM VAN AMSTERDAM
O, Stad, al was ik niet van uw geboorte, Laat mij toch een van uwe Dichters wezen, Die de pracht van uw grachten en uw poorten, Uw havens en uw drukke kaden prezen.
Ik was een Knaap. Smal land en water scheiden Amsterdam van onze stad aan de Zaan, Van onzen Dam zag ik bij heldre tijden Uw huizen en uw torenkerken staan.
Ik zag een vloot van breedgebouwde schepen Stoomen of zeilen tusschen streek en stad. Als wind en water stil waren, de slepen Van schuiten gaan, langzaam langs 't waterpad.
En in den avond zag ik rood en verre Den breeden gloed van uwen lampenbrand. Boven een kleine Stad staan enkel sterren En tusschen ons lag het slapende land.
Wat wist ik toen, o, Stad, van uw geheimen? Wat wist ik van uw zonden, zoet en teer? Van 't nachtgebed sprak ik de vrome rijmen En legde mijn hoofd op mijn kussens neer.
Was ik een Knaap, ik was een rijke Droomer, Menigmaal droomde ik van uw verre pracht. Menigmaal heeft een zeiler of een stoomer Mij droomverrukt over 't water gebracht.
En vaak: met mijne makkers op een wandel Zag ik u dichtebij van eenen dijk. Aan drukker water lag uw weidsche handel Voor ieder open, en voor ieder rijk.