138.
Want was het winter, lente, herfst en zomer Sabbath noch feestdag héb ik ooit verdaan. Als vrome dienaar ׳en verrukte droomer Ben ik door jaren van mijn jeugd gegaan.
Want mijn ouders waren bei vrome Joden, En, zinnelijk, ben ik zóó vroom geweest. Geen aardsche vreugden en geen aardsche nooden Dieper dan vastendag en vierend feest.
O, wonder, dat nooit weerkeert in het leven, Eenheid van vrome ziel en vrijen zin: Dat is de jeugd, wie zou niet gaarne geven Voior dezen schat al zijn maatloos gewin?
Ik zocht de vreugde van de vrije zinnen Ver van de vroomheid, mijner Moeders schat. Knaap, die dit leest, gij zult niet meer gewinnen Dan ik toen gewon in landen en stad.
Heft vrij den wijn, ik heb den wijn geheven In stouter vreugd bij 't ongebonden feest. Een machtig vriend is mij toen wel het Leven, Een machteloos vijand de Dood geweest.
Hoor nog de vreugde van spel en van wijn Rinkelen door de maten van het Lied. Gij kunt nog met uw vrienden zalig zijn, Maar zaliger dan ik was, zijt ge niet.
De lach van mijn makkers lacht in de woorden Van menig lied, dat menig vreugd bezong. Ik ben de Dichter, wiens lied steeds bekoorde, Die steeds tot vreugd, nimmer tot smarten dwong.