Het Joodsche lied, 2de boek

Titel
Het Joodsche lied, 2de boek

Jaar
1921

Druk
1921

Overig
1ed 1921

Pagina's
162



138.

Want was het winter, lente, herfst en zomer Sabbath noch feestdag héb ik ooit verdaan. Als vrome dienaar ׳en verrukte droomer Ben ik door jaren van mijn jeugd gegaan.

Want mijn ouders waren bei vrome Joden, En, zinnelijk, ben ik zóó vroom geweest. Geen aardsche vreugden en geen aardsche nooden Dieper dan vastendag en vierend feest.

O, wonder, dat nooit weerkeert in het leven, Eenheid van vrome ziel en vrijen zin: Dat is de jeugd, wie zou niet gaarne geven Voior dezen schat al zijn maatloos gewin?

Ik zocht de vreugde van de vrije zinnen Ver van de vroomheid, mijner Moeders schat. Knaap, die dit leest, gij zult niet meer gewinnen Dan ik toen gewon in landen en stad.

Heft vrij den wijn, ik heb den wijn geheven In stouter vreugd bij 't ongebonden feest. Een machtig vriend is mij toen wel het Leven, Een machteloos vijand de Dood geweest.

Hoor nog de vreugde van spel en van wijn Rinkelen door de maten van het Lied. Gij kunt nog met uw vrienden zalig zijn, Maar zaliger dan ik was, zijt ge niet.

De lach van mijn makkers lacht in de woorden Van menig lied, dat menig vreugd bezong. Ik ben de Dichter, wiens lied steeds bekoorde, Die steeds tot vreugd, nimmer tot smarten dwong.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt met OCR (Optical Character Recognition).
Deze techniek levert geen 100% correct resultaat op. Dat betekent dat er onjuiste tekens in de tekst kunnen voorkomen.


Weergave
Afbeelding / Tekst (OCR)

Alle boeken in deze digitale bibliotheek kunt u gratis lezen of downloaden. Met een vrijwillige donatie helpt u ons met het in stand houden en verder uitbreiden van de bibliotheek. Klik hier als u een bijdrage wilt overmaken.