137.
Ik schaam mij niet. Wat zult gij u dan schamen, Die zooveel schoonheid weèrvindt in dit Lied, Het is uw strijd, uw hunkren, uw beramen, Dat gij hier in eeuwig verbeelden ziet,
Uw zinnen zwerven, als mijn zinnen zwierven, En als mijn ziel hunkert uw rilde ziel. Of duizenden geslachten machtloos stïerven, Wa!t deert het u, die nog geen smart geviel.
Ik zie de jaren van mijn jeugd als de aarde Zoo schoon als God in de eerste dagen schiep. En 't schoonste, dat het lot voor mij bewaarde, Breekt thans in mijn lied, uit der jaren diep.
Maar over de Aarde heeft God uitgemeten De mateloosheid van 't hemelsch gespan. Een Knaap: maar onbewust heb ik geweten, Hoe elke vreugd de vroomheid dienen kan.
Ik was een Knaap. Geen Man heeft ooit gevonden Wat een Knaap zonder het te zoeken vindt: Zinnelijk blij zijn, zonder schuwe zonden, Vriendschap, die zonder wreede wroeging bindt,
Eén Knaap vindt meer dan al machtige mannen, Die machtloos zoeken naar schuldlooze vreugd. Zijn zinnen begeeren uiterst gespannen, Maar zijn ziel waakt veilig over zijn jeugd.
Een Knaap houdt (hij weet niet!) hemel en aarde, Vroomheid en vreugd in één al-vast verband. De Man, die weet, drijft uit zijn kindergaarde Om rust rusteloos door elk rijker land.