136.
Dat zijn de dagen,■ dat de stoute knapen Half-wetend, half willend naar school toe gaan. De nachten, dat zij woelen. Of zij slapen In droomen, die nooit uit hun ziel vergaan,
En zomer. Zalig gaf zomer zijn ruimte Aan wie diep-aadmend zijn ruimte genoot, Wij roofden van 't gebloemte en van 't gepluimte, Van waterschatten uit rivier en sloot.
Wij gaven gretig onze ranke naakte Aan 't water in het woelend buitenbad. Wij zwierven door polders, waar de zon blaakte Tot schaduw schemerde over onze Stad.
Het herfstgetij: wordt al verlangen stiller, Gaan de mannen rustiger tot hun taak, Versmalt de dag en grauwt het water killer, Wie jong zijn vinden toch buit en vermaak.
Het fruit rijpt noodend bij de rijke boeren. De haven ligt nog vol van wal tot wal. Het graan staat zwaar. De volle wagens voeren, (Wij voeren mede), hun schat overal.
En al die jaren: zij zijn saamgeronnen Terwijl ik gedenk, tot één Eeuwig Jaar, En 't Lied, Gods gaaf, gezuiverd en bezonnen, Zingt al hun schoonheid, zinnelijk en klaar.
Ik schaam mij niet: ik ben een zinlijk makker Met al zinnelijke knapen geweest. Mijn jeugd was open als haven en akker, Ik wist het niet, maar elke dag was feest.