135.
JEUGDDROOM
Mijn ouders waren beide vrome Joden. Ook ik ben eens een vrome Knaap geweest. Die vond geen wijder vreugde en nauwer nooden Dan dagen van vasten of vierend feest.
Na zooveel jaren sluit ik mijne zinnen En mijne ziel van 't woelend leven af. En ik gedenk alles met blij beminnen In 't Lied, de gave, die mijn God mij gaf.
Wij waren in mijn jeugd stille bewoners,
Met smal gewin in eene kleine stad.
Maar thans: de rijkste stad geeft mij niet schooners
Dan ik toen kosteloos aan schatten had.
Winter. Wij zaten rond het milde vuur. De lamp spon rustig zijne gouden stralen. Zóó zalig als kinderen ademhalen Verging tot het avondmaal ieder uur.
Ik las in één gretig boek met mijn zuster. Omdat ieder van ons het gaarne las. Nooit las ik later blijder en geruster Dan toen ik het Kind van mijn Moeder was.
En mocht het buiten dan vriezen en sneeuwen Dat wegen kraakten,en het ijsveld sprong, Ons bracht het boek over landen en eeuwen Waar strijd en vrede volken brak en dwong.
Lente: jaren lang vóór wij rustloos wisten Het wonder van lente en drijvende jeugd, Dreef door ons bloed, als door bloemen, een gisten Van zon, van wind, van eeuwig-vrije vreugd.