131.
Voor acht lichten op het Inwijdingsfeest, Mijn Droom bespeelt niets zóó schoons en zóó
schuchters
Als 't Heilig Licht voor mijn jeugd is geweest. Geen gewijd lied evenaart ooit de wijding Die 't sidderend licht bracht over mijn hart, Het vroom herdenken is mij tot verblijding Al viel schaduw van angst en hartstocht zwart. Toen ik een knaap was, als een zalig droomen Was 't peinzend waken bij 't geheiligd Licht. Vader herdacht de goeden en de vromen Wier denken bidden was, wier dienen plicht. En in mijn droom droeg ik den lichtdroom mede, Zoo rustig als mijn waken was mijn slaap, Daad noch gedachte schond mijn diepen vrede, Ik was dertien jaar en een vrome knaap. .. . O, hartelied, bij jeugd en bij verleden Wijl niet geslagen, de Tijd roept elk man, De Tijd roept elk Volk, ons lot wordt volstreden Htrwinne ons Volk, wat het niet derven kan.
Mijn Droom heeft uit. Heeft mijne zang ontroerd Uw milden zin en u nogmaals gevoerd Langs wat wij vertoonden aan vromen schat, Toen de oude Wijk viel en een nieuwe Stad Voor 't eeuwig-zwervende Volk werd gebouwd? Gelijk mijn peinzend lied in mijmering Toen langs de־ schouw der schoone schatten ging Die Hollandsche vrienden in trots vertoonden, De dracht van 't Land met droeve trouw berouwd Waar wij zoo stout en rijk als één volk woonden, In vroomheid dienend, in macht welvertrouwd. Maar beiden schoon: de Schouw van het verleden Dat zich schatten won in elk vreemd gebied En schoon de Schouw van het hartstochtlijk Heden.