132.
Dat zijn Toekomst dagend in 't Oosten ziet.
Gelijk de zon daagt in 't gebroken Oosten
Daagt, als vrede doorbreekt, ons heerlijkheid,
Geen lied behoeft ons Volk dan meer te troosten
Ook ons hartelied wordt dan vreugdgewijd.
En thans? .,,Gebroken ligt reeds het Verleden,
Dóch de vrije Toekomst daagde nog niet".
De Tijden kenteren, gebruik het Heden,
Voor het als ijdel water u ontschiet.
Wij, die op de kentring der Tijden wonen,
Weten de wankeling van ons bestaan.
Maar wat de Vaders duldden willen Zonen
Niet langer in ieder land ondergaan.
Zeg niet: ,,Uw Zonen", maar zeg „Uwe Stichters",
Hun wacht de rust der zege na den strijd:
De kracht der Daders en de droom der Dichters
Verinnigen zich tot uw heerlijkheid.
Ook ik ben Dichter van mijn Volk, het Leven
Van mijn Volk is het leven van mijn lied.
Wat mijn hart mijn eigen Volk heeft gegeven
Geeft het genooten vreemder volken niet.
Wij zijn geslagen, mijn lied is geslagen.
Want ik heb geen andre macht dan de macht
Van mijn Volk en hun klagen is mijn klagen,
Mijn Lied is zijn stern en hun kracht mijn kracht.
Als wij weer Stad en Heilig Land verwerven
Wordt het hart van 't Violk met zijn Dichters één,
In hoop, in haten, in leyen en sterven, ׳
In lachen, in gebed en in geween.
Daders van 't Volk, herneemt uw kloeke daden
Dichters van 't Volk, herneemt uw heilig lied,
De Tijden kenteren, in trots beraden
Herwinnen Zonen der Vaadren gebied.