130.
Al mijn hartstocht, mijn ongetucht verlangen Wijken voor de teedre macht van uw zangen. Zoo menig vrome vrouw hief hare handen Wanneer het licht van deze lampen brandde, Gelijk mijn Moeder met de heiligheid Van 't zilverlicht den Sabbath heeft gewijd. Mijn Vader schonk den wijn over de randen, Van zijn beker, teeken van overvloed, Met licht en liedren werd de dag begroet, Die zwervers koning maakt in alle landen. Licht en liederen vind ik immer weder; In mijne ziel, verdwaald door duisternis, Als Sabbathzangen zijn de liedren teeder Waarin mijn hart beklaagt zijn droef gemis. En ieder feest en iedere herdenking, Dagen van heerlijkheid, dagen van krenking, Ziet: met schoon geraad worden zij gedacht: De Seiderschotel ten dienst in den Nacht Van de Bewaring, toen God onze wreker, Egypte in het wreed hart trof, diep en zeker, En zijn verslaafd Volk tot de Vrijheid bracht, Ziet: de Omertafel, waarmede men telt De Zeven Weken, dat op Isrels veld Het gave zaaigraan rijpt tot volle vracht, Bazuinen, die met klank hartdiep en klaar Heiige Wijding geven aan het Nieuw Jaar, De Zilveren Do'ozen, kunstvol gedreven, Voor de Cederappels, biddend geheven Met de beekwilgen en den palmentak Bij 't vieren van 't verblijd Loofhuttenfeest Wanneer wij vroom herdenken hoe Gods Macht Onze macht in woestijnen is geweest, Toen 't mokkend Volk in zijn vertrouwen zwak Toch werd behoed onder een rieten dak, Maar schoonst van al: de goudkoperen luchters