129.
Troosters van zieken, godgewijde zangers
De kloeke daders en heilige drijvers,
Minnaars en haters, dichters en verlangers,
Verdiepte denkers, kalme wettenschrijvers,
Mannen van mijn Volk, smal in tal en macht,
Maar der meesters heerschers door vrome kracht.
Gij Volken, in uw jeugd of in uw grijsheid,
Is uw schoon hartstochtlijker dan ons schoon,
Is uwe wijsheid beter dan de wijsheid
Die mijn Volk won door eeuwen haat en hoon,
Zijn uwe Dichters trotscher dan de Dichters
Van mijn Vclks vreugd, van mijn Volks hoop en haat,
Zijn uwe Daders kloeker dan de Stichters
Van zooveel schoon in menig wreeden Staat?
Neen. En hartstochtlijk vieren mijne zangen
De weelden van hun hopen en verlangen.
O, vroom verbond van kunst en heiligheid,
Ziet, ieder ding aan heilgen dienst gewijd,
Voor feesten, herdenking en blijde zede,
Dient in zijne wijding de Schoonheid mede,
Dit is het wonder door geen volk volbracht,
Een Volk vernederd zonder staat en macht,
Door elk ontrecht, door elk in spot vertreden,
Viert in zijn kunst een ongebroken kracht.
Ziet: Sabbathlampen in koper als goud,
In zuiver zilver, en hoe schoon gebouVd,
Eerst in de ziel van den heiligen werker,
Dan bouwt metaal het schoone droombeeld sterker,
En rankt de Lamp ,gelijk een bloemenkrans:
Zes Dagen bloeien in den Sabbathglans.
Heilige Sabbath, mijn beminde Vriend,
Uw gezegend licht maakt de blinden ziend,
Uw !brood voedt verzwakten, uw zoete wijn
Stilt in het bloed de sidderende pijn.
9
Het Joodsche Lied