Het Joodsche lied, 2de boek

Titel
Het Joodsche lied, 2de boek

Jaar
1921

Druk
1921

Overig
1ed 1921

Pagina's
162



128.

Huizen voor meisjes- en voor jongens-weezen,

Die vóór 't Leven den Dood reeds leerden vreezen.

Eerder dan 't Leven kenden zij den Dood.

Eerder dan volle vreugd kenden zij nood.

En als de weezen langs de straten gaan,

Met hunne kleederen van wit en zwart,

Ziet menig Moeder hare kinderen aan:

Heur oogen sidderen en beeft haar hart.

En ik... . mijn lied wordt gegrepen van smart,

Mijn hart bonst in mijn keel donker en ,groot

Als 'k aan mijn Moeder denk en aan haar dood;

De bonte pracht van het Joodsche volksleven Doet het hart van menig kunstenaar beven. Van fijnen teekenaar, van feilen etser, Van mijmrenden schilder en snellen schetser. Maar schoonst van allen werkt de beeldjesbakker. Zijn hand greep vast, mocht zijn hart heerlijk beven, Den karrenkoopman, op winst fel, geslepen, Den feilen zwerver, den geslagen rakker, Den kloeken werker en den vrijen makker, Oude vrouwen, verkommerd in hun schouder Wanneer het leven stiller wordt en kouder, Den kalmen vader, voor zijn gezin wakker, De doode steen heeft hun leven gegrepen, Maar ook: hun leven greep den dooden steen, In Schoonheid worden dood en leven één, De kunstenaar in zijn hartstocht bezonnen Heeft eeuwigheid uit tijdlijkheid gewonnen.

En langs de wanden bouwen de portretten Van hen, die wijs waren in recht en wetten, Bij vrienden bemind, bij vijand vereerd, Wier vasten wil vrees noch winsten verzetten In vroomheid dienend, in wijsheid volleerd.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt met OCR (Optical Character Recognition).
Deze techniek levert geen 100% correct resultaat op. Dat betekent dat er onjuiste tekens in de tekst kunnen voorkomen.


Weergave
Afbeelding / Tekst (OCR)

Alle boeken in deze digitale bibliotheek kunt u gratis lezen of downloaden. Met een vrijwillige donatie helpt u ons met het in stand houden en verder uitbreiden van de bibliotheek. Klik hier als u een bijdrage wilt overmaken.