127.
De sloopers breken, maar hoog-ongebroken
Bouwen daar de drie trotsche Synagogen
Aan 't Plein, waar weidsch de zomer is ontloken,
En de ochtendzon brandt door de boomenbogen,
Wanneer de vromen opgaan ten gebede.
En de avond daalt met zijnen kalmen vrede
Bij 't zonnig licht van ster en zilvermaan
Wanneer zij weer ten nachtgebede gaan.
Stout bouwt het Huis der Joodsche Portugeezen
Gelijk de Tempel twintig eeuw voor dezen:
Zijn binnenbouw, zijn hof en bijgebouwen.
Muren, waarop verdedigers vertrouwen.
Avond. Treedt in: bundels van kaarsen bloeien
Als rozen in heiligen hemeltuin,
Zoo wit, ,zóó stil, hun sidderlichten vloeien
Tot zilverschaduw en tot schaduwbruin.
Vorst Rembrandt vond in deze Synagoge
Heiligen lust voor zijn ziel diepbewogen.
Aan de overzij bouwen de beide kerken
Der Duitsche Joden: moede van mijn werken,
Moede van lust en van verboden zin
Keerde ik gestild met mijnen Vader in.
En weer een vroom kind naast een trouwen Vader
Kwam ik het geluk van het dienen nader.
O Ziel, verloren in huivrenden lust,
Uw onrust vindt bij bede en boete rust,
Met leed des mans, met van een kind de vreugd
Herwin ik weelden van mijn vrome jeugd,
Als de gebeden zingen, zingt mijn lied,
Al reikt mijn pracht tot hunne prachten niet.
Overal heeft Joodsche weldadigheid Gestichten aan behoeftïgen gewijd: Voor droeve dervers, voor geslagen armen, Die brood en woning zoeken en erbarmen,