Het Joodsche lied, 2de boek

Titel
Het Joodsche lied, 2de boek

Jaar
1921

Druk
1921

Overig
1ed 1921

Pagina's
162



127.

De sloopers breken, maar hoog-ongebroken

Bouwen daar de drie trotsche Synagogen

Aan 't Plein, waar weidsch de zomer is ontloken,

En de ochtendzon brandt door de boomenbogen,

Wanneer de vromen opgaan ten gebede.

En de avond daalt met zijnen kalmen vrede

Bij 't zonnig licht van ster en zilvermaan

Wanneer zij weer ten nachtgebede gaan.

Stout bouwt het Huis der Joodsche Portugeezen

Gelijk de Tempel twintig eeuw voor dezen:

Zijn binnenbouw, zijn hof en bijgebouwen.

Muren, waarop verdedigers vertrouwen.

Avond. Treedt in: bundels van kaarsen bloeien

Als rozen in heiligen hemeltuin,

Zoo wit, ,zóó stil, hun sidderlichten vloeien

Tot zilverschaduw en tot schaduwbruin.

Vorst Rembrandt vond in deze Synagoge

Heiligen lust voor zijn ziel diepbewogen.

Aan de overzij bouwen de beide kerken

Der Duitsche Joden: moede van mijn werken,

Moede van lust en van verboden zin

Keerde ik gestild met mijnen Vader in.

En weer een vroom kind naast een trouwen Vader

Kwam ik het geluk van het dienen nader.

O Ziel, verloren in huivrenden lust,

Uw onrust vindt bij bede en boete rust,

Met leed des mans, met van een kind de vreugd

Herwin ik weelden van mijn vrome jeugd,

Als de gebeden zingen, zingt mijn lied,

Al reikt mijn pracht tot hunne prachten niet.

Overal heeft Joodsche weldadigheid Gestichten aan behoeftïgen gewijd: Voor droeve dervers, voor geslagen armen, Die brood en woning zoeken en erbarmen,

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt met OCR (Optical Character Recognition).
Deze techniek levert geen 100% correct resultaat op. Dat betekent dat er onjuiste tekens in de tekst kunnen voorkomen.


Weergave
Afbeelding / Tekst (OCR)

Alle boeken in deze digitale bibliotheek kunt u gratis lezen of downloaden. Met een vrijwillige donatie helpt u ons met het in stand houden en verder uitbreiden van de bibliotheek. Klik hier als u een bijdrage wilt overmaken.