126.
Geen peinzende avonld, dat ons leed niet heugt, Maar ook: wij dragen trotsch, elk nieuwe morgen Wacht ons met werk en in het werken vreugd. En vrienden vieren nu met schoonen schat, Verdwijnen van die Wijk gelijk een Stad. O, kloeke schat van 't vroom, heilig Verleden, In 't kleinste voorwerp viert zich v'olle kunst, Hoe wonder, dat een Volk zoo fel vertreden, Zóó veel schoon won bij der tijden ongunst. Mijn blijde blikken dwaalden zooveel uren Langs meubelwerk, langs zilver, goud en kant, Langs prent- en etswerk, langs de bonte muren Waar weelde van zijde en van weefwerk spant. En !met mijn blikken dwaalden mijn gedachten: Wij hebben veel gezworven, veel geduld. Hebben wij niet, boven ieder verwachten Onzen plicht aan kunst en kennis vervuld? En nu bepeinst mijn lied met kalmen lach Wat mijn oog z'ooveel dwalende uren zag, O, mocht mijn lied uw milden zin ontroeren En u nogmaals langs onze schoonheid voeren.
Een felle prent; hoe greep de stoute schilder
De schoonheid van een Straat in zonnelach,
En daar een teekenaar, die stiller, milder,
Met peinzende blikken zijn Stad bezag,
Hier heeft een man het schoon van kade en straten
Gevangen op fijn-gev'oelende platen,
En wint prenten als ets en schilderij
Zoo teer van licht, zoo schuw van mijmerij
De weemoed van de regen-droeve huizen,
't Woelig licht in 't water onder de sluizen,
Het Leven, fel van liefde, fel van haten,
Een smalle wal, een kalme watergracht
Bij 't zonnig bloeien van den lentenacht:
Mijn hart, in toover van schoonheid' gevangen,
Hoe w'ordt !hun pracht de pracht van uwe zangen.