125.
EEN JOODSCHE TENTOONSTELLING (Het verdwijnend Ghetto)
Hollandsche vrienden toonden toen hun schat
Van kunstvol werk uit het ver vaderland,
Zoo menig Joodsche jongen vast van hand
Met kloppend hart maakte in de Heiige Stad
Op de school van Betsalel 't schoon gereed
Tot Roem van ons Volk, sterk na de eeuwen leed.
En zwerver kwam ik, dien zijn voeten voerden
Tot vreugd, vanwaar men nooit naar vrede keert,
En 't Lied herdacht, hoe zooveel schats ontroerde
Mijn hart door wroeging en wanhoop verteerd.
Een blijde toekomst bloeide voor ons open !
Bij 't schouwen van zoo menig schoonen schat:
Een eigen leven rijk aan liefde en hopen,
Eigen Taal, eigen Leer en Land en Stad.
Niet langer hier geduld en daar verdreven
Oovral vreemd aan der Volken innigst leven.
En thans? Weer wordt een schat van schoon vertoond,
Niet Droom van Toekomst hartstochtlijk begeerd,
Maar Daad van vroom Verleden, dat zich keert.
De Wijk, waar ons Volk eeuwen heeft gewoond Bij smal bestand van dagelijkschen handel, Maar duldend steeds in wisselenden wandel, Wordt door de felle sloopers neergeslagen. Menig moe Man, ■die schaars zijn Wijk verliet, Ontruimt zijn steeg, verbitterd van verdriet, En kind'ren, als een bleek bl'oeisel verkwijnd, Herbloeien in hun open lichte dagen, Het Leven streeft: een oude Wijk verdwijnt. Is het geluk: bevrijding uit verenging? Is het ׳gevaar: bedreiging met vermenging? Geluk, gevaar, wij dragen vreugd met zorgen,