120.
De kamperfoelie, vóór de dag ontlook, Heeft zijn bloemen gezet in teedre wacht. Nu begint, bezig, de papaver ook Met het openen van zijn bloemenpracht.
Zij stonden al gisteren-avond klaar, Rechtop, hun kelkblaadren kleurend gescheurd, Als onveranderd heel den.nacht door, maar Nu wordt fel en snel hun wonder gebeurd.
De saamgekreukte kroonblaadjes ontvouwen. Zij scheuren al hun kleine kelken los. Wit, gëel en rood. Rondom de stempels bouwen Ho(nderden meeldraden hun donkren bos.
Tot eindlijk al de bloemen wachtend strekken. En met hun bestoven meeldraden staan. Dan zijn de blauwe beemd-ooievaarsbekken Ook aan 't gewijde liefdewerk gegaan.
Zij slaan een kroon van vijf bladeren open, De donkerblauwe helmknoppen nog dicht. Een roode barst kom׳t er over geloopen. Het driftig stuifmeel dringt zich naar het licht.
Stralende rust. Dan gaan de bijen zoemen. Een aardhommel: prachtig ,zwart, wit en geel. Hij woelt en werkt in de papaver-bloemen En zamelt zich vol van het stuivend meel.
Honingbijen, die van elke bloem weten Waar hij zijnen honing verstoken geeft. Hun tong dringt door alle teedere spleten In 't werk waarbij de bloem en de bij leeft.