121.
Een spin, die met pooten als bladernerven Zich op de hoofdnerven van een blad zet. Het leven, dat slechts leeft door te doen sterven. List, die zich tegen listigeren wet.
Open bloemen, en 't leven der insecten. De Dag bindt alles tot één werk, één plicht. Maar wat het leven ook tot leven wekte, Het madeliefje houdt zich angstig dicht.
Nu begint ook het dagwerk van de grassen. Kropaar en reukgras, zonder veel vertoon. Maar die de kenners met een bloei verrassen Niet minder dan de bonte bloemen schoon.
Kropaar en reukgras wappren hun meeldraden. Gespreid de bloempakjes van iedre aar. De wind, die de aren schudt, vaart weibeladen, Van stuifmeel en van ochtend-geuren zwaar.
Zes uur. 't Ochtendleven is doorgeloopen Het laatst van alles in de hageroos. Alleen de madeliefjes gaan niet open, Stout in den winter, in den zomer broos.
II
Gij denkt, dat ik al dit bloeiende leven Des zomers in mijn Hollandschen tuin zag? Neen: ik las wat een ander heeft geschreven Over zijnen tuin in den vroegen dag.