119.
IN DEN MORGEN
De madeliefjes nog in diepe rust, Gesloten en naar den grond neergebogen. Geen koele dauw heeft hen vannacht gekust. Wind noch regen hebben de lucht bewogen.
Maar 't jonggesproten gras heeft aan zijn toppen, En menig blad heeft aan zijn teeren rand Een weelde van heldere waterdroppen Naar buiten geperst uit de volle plant.
De vogels staakten al hun morgenkoor. Want zij slaan reeds af tusschen drie en vier. Alleen de schildvink houdt zijn lied nog door. En jonge, bonte spechten vol getier
Zoeken hun voedsel in 't abeelenloover. Koolmeezen vliegen op hun tieren af Want voor de meezen blijft altijd wel over Van een boom, die den spechten voedsel gaf.
Merel en lijster aan het fourageeren. De boerenzwaluwen hoog in de vlucht, ï)ie vliegend nog hun liedje kwinkeleeren, De zon breekt door de luwe morgenlucht.
De geuren van den nacht tusschen de boomen Van vlier en 't geitenblad als specerij. Wanneer de zon straks hooger op zal komen Voegt zich spar en acacia daarbij.
1J Jac. P, Thysse in de Amsterdammer (Oude Groene) van 19 Juni 1920.